Intro

Bij weidegang bestaat de voeding vrijwel geheel uit weidegras. De grasopname van pony's en paarden varieert van 40 tot 80 kg per dag. In de periode van voorjaar tot herfst is weidegang voor paarden onontbeerlijk. Weidegang biedt paarden volop bewegingsvrijheid in de frisse lucht, terwijl bovendien aan de voederbehoefte kan worden voldaan. Per paard van ongeveer 500 kg lichaamsgewicht is een minimale oppervlakte van 1/4 tot 1/2 ha nodig. Tijdens de opfok van jonge paarden is minstens een weiland van 2 ha nodig, om voldoende beweging mogelijk te maken. Beweging is voor jonge èn oude paarden noodzakelijk ook in de winter.



Bemesten vam weilanden

Paardeplekken

Omweiden en standweiden

Weidegang in de winter

Gevaren in de weide

Te onthouden:



Bemesting van weilanden

Weiland is vaak zwaar bemest wat dus leidt tot gras met een hoog eiwitgehalte. Bij paarden kan dit hoge eiwitgehalte leiden tot hoefbevangenheid en ingewandstoornissen.
Wanneer men paarden weidt op een voor melkvee bemeste weide, kan het raadzaam zijn de paarden 's nachts op stal te zetten en ze daar droog ruwvoer te verstrekken zodat de grasopname overdag afneemt. Een andere mogelijkheid is de weide iets langer ongebruikt te laten, waardoor de grassen langer uitgroeien, vezelrijker worden en daardoor minder verteerbaar eiwit bevatten.
Beschikt men over een weide die alleen voor paarden gebruikt wordt, dan kan men een aangepast bemestingsschema hanteren. De optimale bemesting is afhankelijk van het graslandgebruik. Bij uitsluitend begrazen worden er weinig voedingsstoffen afgevoerd en mag de bemesting veel geringer zijn dan bij maaien. Een ruimere bemesting is dus nodig indien in het voorjaar her perceel eerst een keer wordt gehooid.
De bemesting moet afgestemd zijn op de voedingstoestand van de grond. Hieronder verstaat men de voorraad aan voedingsstoffen die in de bovenste centimeters van de bodem aanwezig is. Alleen via een deskundig uitgevoerde grondontleding krijgt men inzicht in de bemestingstoestand van de grond.



Paardenplekken

Paarden zijn kieskeurige eters die geen gras zullen eten dat groeit op plaatsen waar regelmatig gemest wordt. Een weide zal naast intensief begraasde gedeelten ook paardenplekken of paardenbanen hebben. De paardenbanen bestaan uit hoogopschietend gras, distels en brandnetels en zijn rijk aan mineralen. Nadelen van de ongelijkmatige begrazing zijn het verlies aan opbrengst en het kapot trappen van de intensief begraasde delen. Paardenplekken kunnen vermeden worden door afwisselend te beweiden en te maaien, wat ook nuttig is voor de wormbestrijding. Een andere mogelijkheid is samenweiden met schapen, kalveren of pinken. Paarden bijten het gras af met de tanden en kunnen daardoor korter gras begrazen dan de herkauwers. Paarden hebben genoeg aan wat de melkkoeien achterlaten.



Omweiden en standweiden

Wanneer men beschikt over voldoende grasland kan men door het land in percelen te verdelen die afwisselend beweid worden een omweidingsschema hanteren. Hierdoor komen paarden steeds op een fris stuk grasland, terwijl het overige land zich kan herstellen. De herstelperiode van een perceel moet minstens 3 weken bedragen. De percelen moeten zo groot zijn dat de omweidingsperiode per perceel 1 à 3 weken bedraagt. Bij omweiden kan men afwisselend beweiden en maaien voor hooien, drogen of inkuilen, of men kan een omweidingssysteem hanteren waarbij uitsluitend geweid wordt.
Een voorbeeld van een omweidingssysteem zonder voederwinning: 3 percelen, beweidingsduur per keer: 2 weken, rustperiode per keer: 4 weken. Wanneer men voederwinning toepast, kan het volgende schema gebruikt worden: 5 percelen, beweidingsduur per keer: 2 weken, periode weiden-maaien 5 weken, periode voor voederwinning 1 week, periode van oogsten tot beweiden: 3 weken.
Uiteen eggen of slepen van mest moet plaatsvinden als de beweidingsperiode van het perceel beëindigd is want de infectiedruk is enige tijd verhoogd door het verspreiden van maagdarmwormen over het land.
Standweiden, dat is het beweiden gedurende het gehele seizoen op één perceel, heeft een aantal nadelen: de graslandkwaliteit kan worden geschaad en de kans op herbesmetting met parasieten neemt toe.



Weidegang in de winter

In principe kunnen alle paarden 's winters buiten blijven. Het dikke winterhaar vormt een goede isolerende laag. Een nadeel van weidegang in de winter is dat de paarden een erg dikke buik krijgen, hetgeen de prestaties nadelig beinvloedt. Vanaf eind oktober moeten de paarden worden bijgevoederd. Ook de watervoorziening moet gecontroleerd worden.



Gevaren in de weide

De beweging die paarden in de weide krijgen is bijzonder goed voor de gezondheid en het welzijn van de dieren. Er zijn echter ook gevaren. In de weide is de kans op vergiftigingen groter dan op stal. Een goed onderhouden en behandelde weide zal zelden giftige planten bevatten maar wanneer paarden in de buurt van siergewassen kunnen komen is de kans op vergiftiging aanzienlijk.
Bij beweiden op klaver of op lang nat gras bestaat de kans op het optreden van mok. Regelmatige controle van de kootholtes is noodzakelijk.
Klavers zijn rijk aan eiwit van goede kwaliteit. Ze bezitten veel caroteen. Het kalkgehalte is zeer hoog, waardoor ze een afwijkende Ca/P bezitten: 6 tot 7. Rode klavers en luzerne bevatten ook gifstoffen die kunnen aanleiding geven tot koliek of huidafwijkingen. Wanneer klavers gegeten worden, zal men steeds zetmeelrijke produkten bijvoederen zoals haver en bieten.
Bij jonge paarden op klaverweide ziet men gemakkelijk beengebreken optreden ten gevolge van de afwijkende Ca/P verhouding en het hoge eiwitgehalte. Wanneer paarden voor het eerst in een weide gelaten worden waar veel jong gras of klaver staat, is er risico dat de dieren te veel eten met koliek als gevolg.
Een geleidelijke overgang van stalvoeding naar weidevoeding is aan te bevelen. Merries die pas geveulend hebben, zijn zeer gevoelig voor overmatig eten en kunnen best na de koeien geweid worden.



Te onthouden:

Gras is een totaal voeder voor dieren die alleen moeten voldoen aan onderhoudsbehoefte. Aan paarden zal men bij voorkeur weiden geven met kort gras. Immers voor paarden is de weide gauw te welig wat spijsverteringsstoornissen geeft.

- Grasvoeding alleen kan aanleiding geven tot gebreksverschijnselen: fosfor, koper, kobalt, natrium, kalium, magnesium.
- Te veel eiwit geeft dan aanleiding tot rachitis en beenderverweking, slechte beenstanden en beengebreken, veel drinken, veel urineren, jeuk met schuren van staart en manen.
- Overdreven eiwitvoeding kan ook aanleiding geven tot darmrotting met vorming van histamineachtige stoffen, die hoefbevangenheid veroorzaken.