 |
Kuddedier. Het paard is van oorsprong een sociaal dier dat zich het beste in kuddeverband thuis voelt. Voor een paard is het alleen op stal staan tegen natuurlijk. Daarom is afleidingen voor elk paard gewenst, liefst van soortgenoten of anders bijvoorbeeld een kat of een geit.
Vluchtdier. Van nature is het paard geen roofdier dat andere dieren aanvalt en doodt om zich er mee te voeden. Voor grote vleesetende dieren is het paard echter wel een prooi. De enige manier waarop een paard eraan kan ontkomen is vluchten. Het is dus voortdurend er op verdacht op de vlucht te moeten slaan en kan dan een grote snelheid ontwikkelen. Het wacht bovendien niet alleen tot het zelf gevaar heeft opgemerkt, maar het let ook op tekens van soortgenoten.
Ruimtedier. Omdat een paard in het wild zelf zijn voedsel moet zoeken en dat soms alleen kan vinden door grote afstanden af te leggen, is het een ruimtedier dat zich prettig voelt als het zich vrij kan bewegen.Daarom is het dagelijks veel stilstaan op stal eigenlijk verkeerd en moet een paard zoveel mogelijk beweging krijgen. Door bijvoorbeeld weidegang.
Planteneter. Gedragsstudies hebben aangetoont dat het paard, als het daartoe tenminste de gelegenheid krijgt, regelmatig met tussenpozen plantaardig voedsel eet. Het heeft geen grote maag en eet in de natuur meerdere keren vrij kleine porties.
Gewoontedier. Het leven van in het wild levende paarden wordt bepaald door een soort 'inwendige klok' . Er wordt op bepaalde tijden van de dag gerust en op bepaalde tijdstippen gegraasd. Het verstoren van dat gevoel voor regelmaat kun je nabootsen op stal en dat geldt met name voor het voedingspatroon. Het veranderen van de voedertijden leidt tot onrust en verandering van menu kan koliek tot gevolg hebben.
Geheugen. Bij de africhting van het paard kanmen inspelen op het aangeboren goede geheugen. Als een paard wordt beloond en op het juiste moment gestraft zal het het verband tussen deze twee ervaringen in zijn geheugen vastleggen.
Rangorde. In kuddeverband heerst er een strenge rangorde onder paarden. Elk nieuw dier zal om zijn plaats moeten vechten. Een hengst zal altijd willen weten wie de baas is. De rangorde bepaalt ook in hoeverre de paarden in een groep aan hun trekken komen wanneer er wordt bijgevoerd. De laagste in rang moet altijd wachten. Een ruiter zal tegen die achtergrond altijd een meerdere van het paard moeten zijn. Omdat anders verzet van het paard kan ontstaan. Het paard gaat dan met de ruiter de strijdt aan om een hogere plaats in de rangorde.
|
 |
|